Tábara laat je zonder moeite achter je. De laatste huizen verdwijnen, de weg wordt een zandpad en het land opent zich: akkers, een brede lucht en hier en daar een boom.
Het is een lichte dag. Nauwelijks klimmen, nauwelijks dalen, dus je loopt vooral. Dat is fijn op dag twee, want je benen wennen aan het ritme van de Sanabrés zonder meteen op de proef te worden gesteld. Je gedachten krijgen alle ruimte. Het blijft wel ruim 21 kilometer, en bijna zes uur is lang genoeg om je voeten te voelen. Santa Marta de Tera komt rustig in beeld, een klein dorp met een Romaanse kerk die de moeite waard is. Je komt aan met genoeg energie om even rond te kijken. Plan onderweg dus een echte pauze in, met eten uit je rugzak.