De Camino Francés is de klassieker. De bekendste en drukste Camino, en dat voel je. Je loopt met pelgrims uit de hele wereld, deelt tafels en verhalen en vindt onderweg genoeg albergues. Toch kun je hier ook je eigen stilte vinden, zeker als je vroeg vertrekt.
De eerste dag is meteen raak. Je steekt de Pyreneeën over via de Route Napoléon, met bijna 600 meter klimmen en de grens met Spanje onderweg. Daarna wordt het glooiender: wijngaarden, kleine dorpjes, de kathedraal van Burgos. Dan volgt de meseta. Wijde graanvelden, weinig schaduw, een lucht die eindeloos lijkt. Sommigen vinden het saai, anderen worden er stil van.
In León staat nog een kathedraal. Daarna gaat het weer omhoog: het Cruz de Ferro net na Foncebadón en de klim naar O Cebreiro, waar je Galicië binnenloopt. Groen, vochtig en heuvelachtig. Veel pelgrims beginnen pas in Sarria, want voor de Compostela moet je de laatste 100 kilometer lopen.
Het beste loop je de Francés van april tot en met juni, of in september. Dan is het goed te doen, ook op de meseta. In de zomer is het daar warm. Van november tot en met maart is het koel en nat, en is de Route Napoléon gesloten. Dan loop je via Valcarlos.